Dit is een tekst die ik niet zou mogen schrijven. Wie zegt dat de herinnering aan de Holocaust wordt misbruikt als politiek drukmiddel voor de staat Israël, wordt antisemiet genoemd. Die beschuldiging is geen argument, het is een reflex die elke kritiek bij voorbaat onmogelijk maakt. En het werkt. Vrijwel iedereen die het doorziet, zwijgt. Uit angst. Uit schuldgevoel. Uit gewoonte.
Laat mij dat zwijgen doorbreken, juist vanwege mijn familiegeschiedenis. In mijn aderen stroomt het bloed van een man die zes concentratiekampen overleefde, én van een man die in de Duitse Kriegsmarine diende. Ik draag de Holocaust niet als abstract schuldgevoel maar als litteken in mijn DNA. Als iemand het recht heeft om te spreken over wat er met die herinnering wordt gedaan, dan zijn het de nakomelingen die nog altijd de echo's horen van wat nooit uitgesproken werd.
Ik schrijf dit als kleinzoon. Als drager van een trauma dat ik niet heb gekozen maar dat mij gedeeltelijk heeft gevormd, en als iemand die weigert te accepteren dat het lijden van mijn familie wordt gebruikt om het lijden van een ander volk te rechtvaardigen.
Wat begon als een begrijpelijke behoefte aan veiligheid voor een vervolgd volk, is uitgegroeid tot een systeem waarin westerse schuldgevoelens structureel worden geactiveerd om politieke steun af te dwingen
Het wapen dat herinnering heet
De Holocaust was een misdaad zonder weerga. Zes miljoen Joden werden vermoord in een industrieel proces van ontmenselijking dat zijn gelijke niet kent. Daarnaast werden Roma en Sinti, homoseksuelen, politieke gevangenen, mensen met een beperking en vele anderen vermorzeld door dezelfde machinerie. Die waarheid staat buiten elke discussie en mag nooit worden gerelativeerd. Maar er is een verschil tussen herinneren en instrumentaliseren, tussen eerbied voor de doden en het exploiteren van hun lijden, en dat verschil is fundamenteel. Het wordt dagelijks uitgewist door mensen en instituties die belang hebben bij de verwarring.
Sinds de oprichting van de staat Israël in 1948 is de Holocaustherinnering geleidelijk verweven geraakt met een politiek project. De Israëlische historica Idith Zertal beschreef dat proces in ‘Israel's Holocaust and the Politics of Nationhood’: hoe de staat Israël de herinnering aan de vernietiging van het Europese Jodendom heeft ingelijfd in haar nationale identiteit, haar machtspolitiek en haar kijk op het conflict met de Palestijnen. Wat begon als een begrijpelijke behoefte aan veiligheid voor een vervolgd volk, is uitgegroeid tot een systeem waarin westerse schuldgevoelens structureel worden geactiveerd om politieke steun af te dwingen. Ook wanneer die steun inhoudt dat men wegkijkt van wat er in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem gebeurt.
Dat systeem is geen complot. Het is een samenspel van bewuste strategie en onbewuste reflexen, van lobbyorganisaties en cultureel ingesleten schaamte. Dat besef is ingebed geraakt in instituties, diplomatieke codes en media-reflexen, in de opvoeding van generaties Europeanen die leerden dat schuld de enige juiste houding is tegenover alles wat met Joden te maken heeft. Het zit in schoolprogramma's en herdenkingsrituelen, in de manier waarop redacties koppen formuleren en politici hun woordkeuze afstemmen op wat veilig is. Zelfs de Israëlische oud-Knessetvoorzitter Avraham Burg waarschuwde dat een samenleving die haar hele identiteit bouwt op de Holocaust, eindigt in paranoia en moreel verval.
De architectuur van de stilte
In de Verenigde Staten is AIPAC een van de machtigste lobbygroepen van het land. Jaarlijks tientallen miljoenen dollars aan het beïnvloeden van congresleden. Politici die zich kritisch uitlaten over de Amerikaanse steun aan Israël weten dat zij bij de volgende verkiezingen een goed gefinancierde tegenkandidaat tegenover zich kunnen vinden. Dat is geen samenzwering; het is openbaar te volgen in de financieringsstructuren van de Amerikaanse politiek. In Nederland vervult het CIDI op kleinere schaal een vergelijkbare rol: het monitort publieke uitspraken, trekt aan de bel bij media en politici en onderhoudt directe lijnen met Den Haag. Wanneer een Nederlandse politicus zich stevig kritisch uitlaat over Israël, volgt vaak binnen korte tijd een telefoontje, een verzoek tot nuancering. Niet altijd met dreigementen, soms juist met een toon van bezorgdheid die moeilijker te weerstaan is. Het effect is hetzelfde: politici leren welke woorden ongestraft kunnen en welke niet.

In Duitsland, waar de historische schuldreflex het diepst zit, is het politiek vrijwel onmogelijk om Israël fundamenteel te bekritiseren zonder je carrière op het spel te zetten. De Duitse Staatsräson, het beginsel dat de veiligheid van Israël ononderhandelbaar onderdeel is van het Duitse staatsbelang, functioneert als een muur waartegen elke kritiek doodloopt. De Bondsdag nam in 2019 een resolutie aan die de BDS-beweging gelijkstelde aan antisemitisme, wat in de praktijk neerkomt op het delegitimeren van een vreedzame, economische vorm van druk.
Een tweede pijler is de IHRA-werkdefinitie van antisemitisme, in 2016 opgesteld en inmiddels overgenomen door tientallen landen en honderden instituties. Meerdere van de elf voorbeelden in de definitie hebben betrekking op Israël, waaronder het "ontzeggen van het Joodse volk het recht op zelfbeschikking" en het hanteren van "dubbele standaarden." Critici waarschuwen dat deze formulering ruimte biedt om scherpe kritiek op Israëls beleid als antisemitisch te framen en zo de vrijheid van meningsuiting te beperken. Juristen hebben erop gewezen dat de definitie te specifiek is geschreven om als eerlijke juridische maatstaf te werken, terwijl hij in de praktijk wél wordt gebruikt om legitieme politieke uitingen in te perken. Honderden academici hebben daarom de Jeruzalem-verklaring ondertekend, een alternatieve definitie die expliciet stelt dat kritiek op Israël en het zionisme op zichzelf geen antisemitisme is. Toch is het de IHRA-definitie die door regeringen wordt omarmd. Niet omdat ze wetenschappelijk superieur zou zijn, maar omdat ze politiek beter inzetbaar is. In het Verenigd Koninkrijk speelde ze een centrale rol in de interne strijd binnen Labour onder Jeremy Corbyn, waar gelekte documenten lieten zien dat beschuldigingen van antisemitisme mede strategisch werden ingezet om zijn pro-Palestijnse koers te ondermijnen.
Dichterbij huis: Younes Saramifar, universitair docent aan de Vrije Universiteit Amsterdam, omschreef Israël in een cursustekst als een apartheidsstaat, een term die ook door Amnesty International en Human Rights Watch wordt gebruikt. Wat volgde was geen academisch debat. Er kwamen klachten bij het bestuur. Zijn colleges werden gemonitord. De rector wees hem publiekelijk terecht. En toen begon de haatmail, ook op zijn huisadres, waar hij woont, waar zijn kinderen wonen. Studenten dienden uiteindelijk een klacht in, niet over Saramifars woorden maar over de manier waarop de universiteit hem had behandeld. Niet de feitelijke kwalificatie stond ter discussie, maar het feit dát een academicus die uitspraak had durven doen. Het signaal aan zijn collega's was helder genoeg.
Organisaties die angst politiek exploiteren, die bewust het onderscheid vervagen tussen haat tegen Joden en kritiek op een staat, schaden uiteindelijk de Joodse gemeenschap zelf
Wie het waagt Israëls handelen publiekelijk ter discussie te stellen, ongeacht vanuit welke positie, weet inmiddels dat het niet bij inhoudelijke tegenspraak zal blijven. De ruimte voor kritiek is niet toevallig kleiner geworden. Die ruimte is actief verkleind.
Het taboe op het benoemen van het taboe
Het meest effectieve aspect van dit systeem is dat het zichzelf onbenoembaar maakt. Wie zegt dat er georganiseerde druk wordt uitgeoefend op westerse regeringen om Israël te steunen, loopt het risico beschuldigd te worden van het reproduceren van het klassieke beeld van de almachtige Joodse lobby. Wie zegt dat Holocaustschuld politiek wordt uitgebuit, kan worden weggezet als iemand die de Holocaust relativeert. Wie stelt dat het antisemitisme-label soms strategisch wordt ingezet, krijgt het verwijt precies dát antisemitisme te bagatelliseren. Het systeem controleert niet alleen daden en woorden, maar ook de taal waarin we het systeem zélf kunnen beschrijven. En dat maakt het zo buitengewoon moeilijk om erover te praten zonder onmiddellijk in de verdediging gedrukt te worden, waardoor het gesprek al verloren is voordat het begonnen is.
En ik wil eerlijk zijn over iets wat dit gesprek extra moeilijk maakt. Veel Joden ervaren oprechte angst wanneer ze harde kritiek op Israël horen. Gezien de geschiedenis resoneert die kritiek met eeuwen van vervolging. Ik heb die angst gezien en gehoord. Ik heb een gesprek gevoerd aan de telefoon waarin een Joodse vrouwelijke kennis zei: je begrijpt niet wat het betekent als het weer begint. Zij bedoelde iets anders dan ik bedoelde, en we hadden allebei gelijk, en dat is precies het probleem. Die angst verdient dat we er niet overheen walsen. Maar angst kan niet de enige maatstaf zijn voor wat er in een democratie gezegd mag worden. En organisaties die die angst politiek exploiteren, die bewust het onderscheid vervagen tussen haat tegen Joden en kritiek op een staat, schaden uiteindelijk de Joodse gemeenschap zelf. Want wanneer elk kritisch geluid als antisemitisch wordt bestempeld, wordt echt antisemitisme, en dat bestaat en neemt toe, onzichtbaar in de ruis.
De echte ontheiliging
Mijn grootvader Max Groen overleefde zes kampen. Zes. Zijn moeder Judith de Hond en zijn broer Rudi Emiel overleefden er geen. Zij werden afgevoerd naar Sobibor en daar vermoord, in een kamp dat zo efficiënt was ontworpen dat de meeste slachtoffers binnen uren na aankomst dood waren. Van hen resteert geen graf, geen lichaam, geen laatste woord. Alleen een naam op een lijst en de leegte in een familie die nooit over hen sprak.
Wanneer ik zie hoe de herinnering aan wat hun is aangedaan wordt ingeroepen om het zwijgen op te leggen over wat er nu in Gaza gebeurt, de honger, de verwoesting, het sterven van tienduizenden burgers, voel ik woede. En schaamte. Niet omdat de misdaad van toen en het geweld van nu één op één vergeleken zouden moeten worden, maar omdat een morele catastrofe uit het verleden wordt gebruikt als schild tegen morele verantwoordelijkheid in het heden.
Soms, in de uren dat ik hierover schrijf, betrap ik mezelf op twijfel die ik niet helemaal kan oplossen. Ik vraag me af of ik het recht heb om dit te zeggen, ik die er niet was. Ik vraag me af of mijn woede over Gaza niet ook een manier is om mijn eigen familiegeschiedenis te verwerken, of ik niet ergens onbewust iets recht probeer te zetten wat mijn andere grootvader scheef heeft achtergelaten, door nu aan de goede kant te staan.
Ik weet het niet
Misschien is dat zo. Misschien maakt dat wat ik schrijf niet minder waar. Maar ik merk dat ik 's avonds achter mijn laptop soms vastloop op zinnen die te netjes klinken voor wat ik eigenlijk probeer te zeggen, en dan vraag ik me af of die nettigheid zelf ook een vorm van ontwijken is.
De Holocaust leert ons dat we nooit mogen wegkijken wanneer een volk wordt ontmenselijkt. Dát is de les. Wie die les verdraait tot het tegendeel, wie het verleden gebruikt om systematisch geweld af te schermen, pleegt verraad aan de overlevenden.

De generatie die zich afkeert
Op universiteiten in Amsterdam, Leiden en Utrecht gingen studenten de straat op uit solidariteit met Gaza. Ze sliepen in tenten op universiteitsterreinen, werden door de ME verwijderd, en gingen de volgende dag terug. In delen van de media en politiek werden zij neergezet als antisemieten, naïeve radicalen, bedreiging van de openbare orde. Veel van hen namen voor het eerst in hun leven een politiek standpunt in. Wat zij terugkregen was niet dat hun standpunt feitelijk onjuist was. Wat zij terugkregen was het besef dat de Holocaustherinnering als wapen tegen hen kon worden ingezet. Het resultaat is niet alleen kwaadheid maar iets dat op lange termijn gevaarlijker is: onverschilligheid. Aversie. Een generatie die de 4 mei-herdenking niet meer ervaart als moment van bezinning maar als ritueel dat ook een functie heeft in het bestendigen van selectieve loyaliteit.
Over twintig, dertig jaar zullen er geen overlevenden meer zijn. Dan rest alleen het verhaal. Als dat verhaal dan onlosmakelijk is verbonden met de rechtvaardiging van ongelijkheid en militair geweld, zal een nieuwe generatie het naast zich neerleggen. Niet uit kwade wil, maar omdat niemand een morele les serieus neemt van een boodschapper die diezelfde les in het heden schendt.
We moeten een andere taal voor herinnering durven ontwikkelen, een taal die de Holocaust niet langer koppelt aan één staat maar aan waakzaamheid tegen ontmenselijking, waar die ook plaatsvindt
Een oproep tot moed
Europa moet zich bevrijden uit een greep die allang niet meer dient waarvoor hij bedoeld was. Dat betekent niet dat we de Holocaust vergeten. Het betekent dat we hem serieus genoeg nemen om te weigeren hem te laten misbruiken. Dat we durven zeggen: wij erkennen de misdaad, wij dragen de verantwoordelijkheid van de herinnering, maar wij weigeren die herinnering te laten gijzelen door welke staat dan ook.
Dat vraagt om moed. Om lobbyorganisaties en beleidskaders bij naam te noemen zonder direct te capituleren voor voorspelbare beschuldigingen. Om de IHRA-definitie te herzien waar zij dient als instrument van censuur, en om de mensen te beschermen die het hardop zeggen wanneer anderen zwijgen. En om te accepteren dat je daarvoor een prijs betaalt, dat er mensen zullen zijn die je precies datgene verwijten waartegen je je in dit essay hebt proberen te verweren.
Ik schrijf dit vanuit een relatief veilige positie. Ik ben niet afhankelijk van een werkgever die mij kan ontslaan, niet van een opdrachtgever die mij kan laten vallen. Ik kan dit zeggen. Veel anderen kunnen dat niet. Ik begrijp de docent die zijn woorden weegt omdat hij zijn baan niet wil verliezen, de journalist die een alinea schrapt, de ambtenaar die zwijgt bij de koffiemachine terwijl het in hem schreeuwt. Die voorzichtigheid is niet lafheid. Het is het logische antwoord op een systeem dat de prijs van spreken bewust hoog heeft gemaakt.
Wat Saramifar overkwam is geen uitzondering. Het is een patroon, en dat patroon heeft een effect dat verder reikt dan de individuele gevallen: het maakt de vrijheid van meningsuiting zelf bespreekbaar als iets dat je kunt verliezen. Dat wij dit in Europa laten gebeuren, in landen die zich beroepen op persvrijheid en academische vrijheid als kernwaarden, zou ons diep moeten verontrusten. Het is precies het soort stilte waarvan we achteraf altijd zeggen dat we haar hadden moeten doorbreken.
Precies daarom is het noodzakelijk dat wie wél kan spreken, dat doet. Niet om in de plaats van anderen te spreken, maar om ruimte te maken. We moeten een andere taal voor herinnering durven ontwikkelen, een taal die de Holocaust niet langer koppelt aan één staat maar aan waakzaamheid tegen ontmenselijking, waar die ook plaatsvindt. Het gaat er niet om het slachtoffer van toen tot dader van nu te verklaren. Het gaat erom te erkennen dat geen enkel volk, geen enkele staat gevrijwaard is van moreel falen.
Ik wil dat mijn kleinkinderen weten wie Judith de Hond was. Een vrouw die leefde, die zonen had die van haar hielden, en die op een dag werd afgevoerd naar een plek waarvan ze niet terugkwam. Ik wil dat ze weten wie Rudi Emiel was, een jongen die een heel leven voor zich had en het niet kreeg. Ik wil dat hun namen worden uitgesproken in kamers waar het stil wordt, niet in vergaderzalen waar ze iets moeten bewijzen.
Dat kan alleen als we de doden teruggeven aan de geschiedenis, en uit de diplomatieke onderhandelingskamers weghalen.